Daar, in die breekbare rust, vond ik een nieuw soort schoonheid. Zoals Ed Sheeran zingt in “Sapphire” — kwetsbaarheid als kracht. Verdriet als vorm van groei. Liefde die niet wederzijds was, leerde me méér over mezelf dan ik ooit van hem had kunnen leren. Een saffier schittert pas onder druk. En ik? Ik begon weer licht te geven, niet dankzij hem, maar ondanks hem.
Ik begon te zien dat ik niet degene was die tekortschoot. Ik gaf alles wat ik had. Te veel, misschien. Maar ik heb er geen spijt van. Want zelfs als hij me behandelde als bijzaak, ben ik trouw gebleven aan wie ik ben.
Nu herken ik de tekens sneller. De jongens die zich voordoen als mannen. De mooie woorden zonder daden. De vlammen die branden, maar niets verwarmen. En als ik in de spiegel kijk, zie ik iemand die heeft liefgehad, gevallen is, en toch weer is opgestaan. Iemand met littekens — maar ook met glans.
Zoals een saffier die z’n diepte pas toont na jaren van slijpen.
